<- Vorige: 3. De ceremonie ter overhandiging van zestien miljoen                    Volgende: 5. Alle vormen van weg ->

Een maand lang verblijf ik in Kaapstad, als gast van het ‘Borderlands public arts project’. Hier zal ik af en toe mijn ervaringen delen.

kleinere versie uitzicht hut
Ik zit voor mijn hut terwijl de avond valt en ik drink wijn. Dit is de stilste plek waar ik tot nu toe ben geweest in Zuid-Afrika en ik twijfel bij elke hand chips. Ik wil de stilte horen. De bergen verdwijnen langzaam in de donker wordende lucht. Het is lang geleden dat ik zoveel sterren zag. Het ruikt hier niet echt naar iets. Ik had me voorgesteld dat Zuid-Afrika vol onbekende geuren zou zijn, maar het enige dat me tot nu toe opviel was de geur van uitlaatgassen. Die hangt hier niet. Als Gecko Creek al ergens naar ruikt, dan is het naar opstuivend stof. Je kunt hier maar beter geen astma hebben.

Ik word langzaam een beetje dronken. Ik vind dat ik het heb verdiend. In de nacht voor ik zou vertrekken voor mijn driedaagse vakantie, had een groepje mensen nog geprobeerd onderdelen te stelen uit de Volkswagen Golf die ik bij Rent-a-Cheapie had gehuurd. De buurman had ze betrapt en weggejaagd. Ik was opgelucht geweest dat de auto nog gewoon startte.

Na een rit van ongeveer drie uur stopte ik de auto bij een tankstation, met de neus tegen een paal. Alle vijf medewerkers keken me grijnzend aan. Op de website van Gecko Creek stond dat ik met een volle tank moest komen, dus ik riep ‘Gooi maar vol!’ terwijl ik een royaal gebaar met mijn arm maakte. Maar de tank bleek nog min of meer gevuld. Ik tankte tien liter, betaalde en reed hortend en stotend weg.
Na een half uur nam ik de afslag ‘Algeria/Cederberg’ en draaide een zandpad op. Het was nog vier kilometer. De weg werd almaar steiler, zanderiger en rotsiger en op het steilste stuk van een berg sloeg de motor af. Bij elke poging tot starten rolde ik een stukje achteruit en de auto begon steeds meer te stinken. Ik was bang dat ik keihard met de Golf naar beneden zou stuiteren, dus ik zette hem stevig op de handrem en liep verder naar het kamp. Bijna meteen liep ik tegen een groot bord aan: ‘DANGEROUS. WOLF. GEVAARLIK’. Ik fantaseerde mezelf in een gevecht op leven en dood, en had sterk de neiging om mijn laatste momenten te benoemen. Alleen, avontuurlijk, kon minder goed autorijden dan ze dacht. Vol half verwerkte leerzame ervaringen, ontheemd, zweterig. Verlangend naar gezelschap. Zoekend naar hoe het best te leven. Stierf met dorst. Uiteraard kwam ik gewoon aan bij het kamp en een van de aanwezige gasten reed heel gemakkelijk mijn auto naar boven.

Maliku liet me het kamp zien. Met zware schoenen en grote stappen, een mouwloos shirt en een bandana op zijn hoofd liep hij door de gezamenlijke keuken. Hij rook naar weed-zweet.
Hij trok een kastje open. ‘Here are the pots.’
‘Here are the cups.’ Hij praatte heel zacht en keek me doordringend aan.
‘Here you can put your dry stuf.’ ‘And you can use this box to put things in the fridge.’
Zijn blik zei iets als ‘Zullen we misschien vanavond seks hebben, nu je toch hier bent?’
Ik negeerde het zo goed als ik kon.
Hij liet me de vuurplaats zien waar iedere avond een vuur gemaakt werd, het toiletgebouw, het kleine zwempoeltje en mijn hut.‘This evening at six I am going for a walk to see the sun set, with some other people. Are you coming? It is very nice.’
‘Ok,’ zei ik aarzelend.
‘And tonight I will make a very nice night walk in the dark.’
Ik besloot dat laatste zeker niet te gaan doen.

Ik ging voor mijn hut in de hangmat zitten. Het uitzicht was geweldig. Ik dacht na over de workshop die ik een paar dagen eerder had gegeven. Soms zijn de gebeurtenissen waarvan je denkt dat ze de belangrijkste zullen zijn, helemaal niet zo spectaculair. Je zet je schrap, voeten stevig in de grond, maar de storm blijft uit. Zo ging het ook met de workshop. Na het kleien (zie blog 2: verloren in de klei), had ik me allerlei voorstellingen gemaakt van de culturele misverstanden en spraakverwarringen die zouden ontstaan als ik mijn plan aan de pubers zou ontvouwen. Ik had Leila van tevoren gevraagd om in geval van wederzijds in het duister tasten, als cultuurtolk op te treden.
Maar uiteindelijk ging de workshop gewoon goed. Het was leuk, maar niet buitensporig. De momenten waarvan ik verwachtte dat ze zouden werken, werkten. De momenten die mogelijk wat moeilijker zouden zijn waren wat moeilijker, maar ze gingen nog net. Er werden leuke dingen bedacht, maar geen baanbrekende. De jongeren deden soms heel goed mee en soms even helemaal niet. En op momenten verstond ik niet wat ze zeiden, maar meestal wel. Ik was de workshop al bijna vergeten. Het enige dat ik me goed herinnerde was Chantal.
Chantal was iets ouder, zestien of  zeventien, schat ik, met kort geschoren haar, hangende schouders en haar hoofd een beetje naar achteren. Ze was vermomd in een norse onverschilligheid die erg intimiderend was. Ik durfde me bijna niet aan haar voor te stellen. Toen ik dat toch maar deed bleek ze een ontwapenend brede grijns in huis te hebben, die me haast verlegen maakte. Maar zo snel als ‘ie kwam, was ‘ie ook weer weg.
Ergens middenin het spel dat we deden, pakte ze haar mobiele telefoon tevoorschijn. Ze tikte me aan.
‘Look at this!’
Ze liet me een serie portretten zien van lachende mensen. Het had op geen enkele manier te maken met dat moment in de workshop en het was afleidend, maar ik kon mijn ogen niet van de foto’s afhouden.
‘I don’t like to see stress in people.’
Ze swipete door en liet een filmpje zien waarin ze in een Pink Panther pak door de straten van haar township rende, terwijl ze – in een taal die ik niet verstond – dingen riep. Omstanders lachten en riepen naar haar terug.
‘I like to make people happy. And then I make a picture of them.’ Ze straalde helemaal.
Toen stopte ze haar telefoon weer weg en verdween ze achter de sluier van onverschilligheid. Chantal was een kunstenaar-clown.

IMG-20190321-WA0026
Dit is niet Chantal. Van haar heb ik geen goede foto. Dit is Ta too. Ta too vertelde iedereen de oren van het hoofd over al haar fantasieën.

Het was al bijna zes uur toen ik me nog snel in mijn zwempak wurmde om even in het zwembadje te plonsen. Er zaten twee jongens met een glas rosé op de rand, en er lagen twee rode vrouwen op een zonnebedje. Dit was het fijnste van de dag. Opgefrist meldde ik me voor de wandeling. Er hadden zich nog vier mensen aangesloten, waaronder de twee Nederlanders en een Duits stelletje. Maliku had een grote trommel onder zijn arm en maande ons om stil te zijn. Hij wees ons de rooibosstruik en rosemarijn en we kwamen bij de rots die je vanaf het kamp kon zien. Die beklommen we. Op de top zei Maliku ons te gaan zitten en geen rare dingen te doen. We keken uit op de omringende bergen en de ondergaande zon. Hij ging terug naar beneden, waar hij zijn trommel had gelaten. En terwijl de zon langzaam achter een berg verdween, begon hij te trommelen. Geen moeilijke ritmes. Heel simpel. Het was een soort ritueel. We zaten daar heel stil, ook omdat we bang waren van de rots te vallen. De jongen die voor mij zat probeerde een selfie te maken zonder mij erop. Dat ik probeerde op zijn schermpje te kijken hielp niet. En toen hoorden we ineens een zoemen als van een megamug. In het kamp stond Linton, de eigenaar, een drone op te laten. Hij steeg alleen maar op, luid gonzend, en daalde weer neer. En steeg op en daalde weer neer. Tot de zon onder was. Toen kwam Maliku boven en hij dwong iedereen, inclusief de jongen met hoogtevrees, op het puntje van de rots te gaan staan voor een foto.
‘Did you like it?’ vroeg hij trots toen we weer beneden waren. Iedereen zei ja.


<- Vorige: 3. De ceremonie ter overhandiging van zestien miljoen
                     Volgende: 5. Alle vormen van weg ->

                                                                                Terug: Kaapstad blog, overzicht

EmkeIdema4. avonturen met de Golf / lofzang op Chantal