<- Vorige: 4. Avonturen met de Golf / lofzang op Chantal

Een maand lang verblijf ik in Kaapstad, als gast van het ‘Borderlands public arts project’. Hier zal ik af en toe mijn ervaringen delen.

emke en hellen

Ik zit in het Simon’s Town Museum in Simon’s Town en kijk om me heen. We, de andere bezoekers van de ‘Borderwalk’ en ik, luisteren naar Tazneem, die van alles uitlegt over het museum en ons moeilijke quizvragen stelt over wat er in het museum is te zien. Rechts van me hoor ik hoe de dertienjarige Hellen, die ik ken van de kleiworkshop, steeds haar adem inhoudt en met een klein kreuntje weer uitademt. Haar zusje Nicole, die achter me zit, doet hetzelfde. Zij hebben ook moeite hun aandacht bij het verhaal te houden.

Het is mijn laatste dag in Kaapstad. Vandaag moet ik mijn auto terugbrengen naar de autoverhuur, waar ik erg tegenop zie, want er zit een enorme deuk in. Gisteren zat ik nog op het politiebureau om aangifte van de schade te doen. De politieman die mijn formulier handmatig invulde had een zweepslag gehad en liep moeilijk. Na elk hokje dat hij had ingevuld hadden we het daarover. Of over Londen, waar hij had gewoond. Of over de Brexit. Of over voetbal. Na een uur was het formulier klaar. Ik kreeg geen kopie mee. Ik moest om 13 uur bellen voor het case nummer. Als het formulier was ingevuld in de computer. Toen ik om kwart voor twee belde, begreep de vrouw die ik aan de lijn had niet waar ik het over had. Ze zouden me een sms sturen, dat was de procedure. Die kwam natuurlijk niet. Zonder case nummer zou mijn autoverzekering niet gelden. Dus belde ik nog een keer, met de moed in de schoenen. Maar nu ging alles ineens heel snel en toen ik mijn naam zei, riep de vrouw me meteen geërgerd een nummer toe. Drie keer. Want ik had geen pen en ik verstond haar de hele tijd niet.

Simon’s Town is een buitenwijk van Kaapstad. Het ligt schitterend aan de zee, aan de voet van een berg, en het heeft allemaal Victoriaanse huizen. Het heeft ook een onduidelijk georganiseerd museum vol plaatselijke geschiedenis. Daar zitten we nu.

Ineens is een gekleurde vrouw uit het publiek aan het woord. ‘En toen werden we gedumpt in Ocean View. Daar waren alleen maar flats en zandduinen. Wij, die gewend waren op de grond te wonen en naar de zee te kijken, werden met zijn tienen in een tweekamerflat gestopt. Het was zo hoog! We waren doodsbang dat we er uit zouden vallen, telkens als we de trap op en afliepen. Daarom bleven we zoveel als we konden binnen. En werden we ongelukkig.’

Het is doodstil in de ruimte. Ik hoor ook Hellen en haar zusje niet meer kreunen. Het gaat over de ‘forced removals’ van 1967. Toen de gekleurde gemeenschap uit hun huizen werd gedwongen om ruimte te maken voor witte mariniers. Een aantal van de uitgezette mensen is nu hier en vertelt.

Een man die ik niet kan zien zegt:
‘We hadden altijd in een matriarchale samenleving geleefd. Onze grootmoeders hielden onze gezinnen bij elkaar. Zonder onze grootmoeders konden we niets beginnen. Iedereen krimpt als ‘ie ouder wordt, maar in Ocean View krompen onze grootmoeders buitensporig. Ze werden zo klein dat ze haast onzichtbaar waren en niet meer voor onze gezinnen konden zorgen. Onze gemeenschap viel uit elkaar.’

Er volgen nog een paar verhalen. Ze gaan vloeiend in elkaar over. Dit is een knap staaltje collectieve storytelling en de geschiedenis is voelbaar dichtbij. Ik vraag me af of dit in Nederland zou kunnen en waar het dan over zou gaan.

We staan op voor een wandeling de berg op, naar een waterval. In de loop van de wandeling komt Hellen naast me lopen. Hellen, die tijdens de kleiworkshop zo verlegen was, is ineens een stuk groter nu haar jongere zusje er ook is. Onverwacht begint ze te vertellen, misschien hebben de verhalen van de anderen haar aangemoedigd:

‘Toen we uit Zimbabwe kwamen, moesten we door een heel groot bos. Het was donker en ik was bang dat de soldaten ons zouden pakken.’
Ze is gevlucht uit Zimbabwe! ‘Dat kan ik me voorstellen! Wanneer was dat?’ vraag ik.
‘Toen ik tien was, en mijn zusje negen. We kwamen bij een rivier met krokodillen erin en die moesten we oversteken. In het water verloor ik mijn schoen. Ik had mijn schoen nodig, want we moesten nog heel lang lopen, dus ik probeerde hem te pakken. Maar hij dreef weg. Ik rende er achteraan en ineens zag ik een krokodil, vlakbij. Maar ik had mijn schoen bijna, dus ik bleef in het water. Ik kwam steeds dichter bij de krokodil. Toen had ik mijn schoen en viel ik op de kant. Ik was opgelucht.’
‘Wat spannend!’ zeg ik. ‘Maar gelukkig had je je schoen.’
‘En toen was het bos afgelopen en was er een enorme vlakte waar iedereen je gewoon kon zien. Er kwam een soldaat op ons afgelopen en ik dacht ‘die gaat ons nu verraden. Of doodschieten’. Maar dat was niet zo, hij hoorde erbij. We moesten heel hard rennen naar een auto. En ik rende zo hard als ik kon en mijn zusje ook en we haalden de auto net op tijd. Een hele hoop kinderen hadden de auto niet gehaald.’
‘En je ouders? Waren die ook in de auto?’
‘Mijn ouders waren er niet. Ik was alleen met mijn zusje.’
‘Jeetje. Wat dapper.’
‘Mijn moeder was al in Kaapstad. Ik was zo blij toen we het hadden gehaald!’

Ik kijk naar Hellen, die vandaag alles op alles had gezet om bij deze wandeling te zijn. De vorige keer dat ik haar zag had ze nog kort kroeshaar, dit keer had ze een paarse muts op, waar een stuk of tien lange vlechten onderuit kwamen. Haar moeder had haar verboden om op pad te gaan, omdat haar haar nog niet af was, maar zij vond dat er met muts niets was om zich voor te schamen. We staan stil en ze leunt even tegen me aan.
‘Ik vond het zo jammer dat ik niet bij je workshop kon zijn. Hoe lang blijf je nog?’
‘Ik ga morgen weer naar Nederland.’
Er verschijnt een mengeling van ongeloof en teleurstelling op haar gezicht. ‘Echt? Ik ga je missen.’
Even weet ik niets te zeggen. Mijn stilte duurt te lang.
‘Ik jou ook.’

De Borderwalk gaat door en we komen bij een waterval waar twee zwarte jongens van wie je het niet zou verwachten melancholisch opera zingen. Er is lunch. Hellen en haar zusje eten onopvallend bijna de helft van de tas met boterhammen met pindakaas leeg. Ineens wil ik zo snel mogelijk naar huis. Ik wil heel lang slapen. Maar ik moet de auto nog terugbrengen naar de autoverhuur die minstens een uur verderop ligt. Er schiet een golf stress door mijn lijf. Deuken horen bij auto’s, houd ik me voor. Ik heb een verzekering. En een casenummer van de politie.
Ik lees de voorwaarden van het contract nog eens goed door en pas het verhaal van het ongeluk een klein beetje aan.
Bij de autoverhuur proberen ze me geen extra geld afhandig te maken, zoals een vriendin had gesuggereerd. De zenuwen gaan pas laat in de avond liggen.

 

<- Vorige: 4. Avonturen met de Golf / lofzang op Chantal

Terug: Kaapstad blog, overzicht

EmkeIdema5. Alle vormen van weg