<- Vorige: 1. Taal, lijf en leden                                                       Volgende: 3. De ceremonie ter overhandiging van zestien miljoen ->

Een maand lang verblijf ik in Kaapstad, als gast van het ‘Borderlands public arts project’. Hier zal ik af en toe mijn ervaringen delen.

IMG-20190310-WA0013

Ik ben op zoek naar de code. De code van hoe me te gedragen. Wanneer te spreken, wanneer te zwijgen, welke vragen te stellen. Wanneer initiatief te nemen en wanneer te wachten. Er moet een zekere insteek te vinden zijn. Of meerdere insteken. Maar mijn intuitie doet het niet.

Als Leila me ophaalt met de auto voor de klei workshop – ik ben inmiddels verhuisd naar een eigen appartementje in Muizenberg, iets dichter bij Kaapstad – zit Nephtali al achterin. Nephtali is een matric, een laatstejaars middelbare scholier, uit een buurt waarvan ik de naam vergeten ben. We zijn op weg naar Red Hill, een township op de berg, waar we Hellen ophalen. Hellen staat te wachten bij de bushalte, die vooral wordt gebruikt door illegale taxis. Nephtali en Hellen hebben zich opgegeven voor de workshop na een praatje van Leila op hun school.

‘Hello Hellen.’ Ik klap de passagiersstoel naar voren om haar in de auto te laten.
Verlegen en zonder iets te zeggen stapt ze in.
We rijden over de berg richting Masiphumelele, een andere township. Leila zet mij, Nephtali en Hellen af bij een hek met een portier. ‘You can wait there’, ze wijst achter het hek.
Als het goed is zouden er nog meer deelnemers aan de workshop moeten zijn, maar ik zie niemand.
‘I will pick up two more people.’ Ze drukt me een tas met appels in mijn handen om uit te delen.
De beveiliging laat ons binnen. Maar niet zonder meer.
‘I need to know what you are doing here.’ Hij kijkt mij aan, de enige volwassene die over is.
Het zweet breekt me uit. Ik heb geen idee waar we zijn en wat we hier gaan doen. De workshop is straks heel ergens anders, namelijk in de studio van Leila’s moeder. Dat er geen andere kinderen of leiding te bekennen zijn vind ik bijzonder verwarrend. Ik moet het juiste antwoord geven, anders stuurt ‘ie ons weg.
‘We komen voor een klei workshop en we verzamelen hier. Leila, die hier net was, haalt nog wat jongeren op.’
De portier laat een lange stilte vallen. ‘Ok, you can go sit with the others.’ Hij wappert met zijn hand naar een gebouwtje verderop.
Zie je nou, er zijn wel anderen! Opgelucht begin ik te lopen en Nephtali en Hellen volgen. Achter het gebouwtje zitten twee meisjes samen op een bankje en ze delen de oortjes van een koptelefoon. Iets verderop staat een groepje wat oudere meisjes te praten en lachen in een taal met klikklanken. Nog weer verder staan verspreid wat ongeinteresseerd kijkende pubers. Die zijn vast van hier. Dit is geen groep die samen een workshop gaat volgen, er is ook geen workshopdocent aanwezig.

‘Komen jullie voor de klei workshop?’ vraag ik aan de muziekluisterende meisjes.
‘Yes.’ Ze kijken meteen weer weg.
Ik denk aan de taak die ik van Leila kreeg: appels uitdelen.
‘I have apples. Does anyone want an apple?’
Mijn vraag wordt voornamelijk genegeerd. Een enkeling schudt het hoofd.

Ik ga zitten op een muurtje en kijk naar de grond. Nephtali en Hellen blijven in de buurt hangen. Ik heb het gevoel dat ik iets moet. Als enige volwassene, met een organisatorische tas met appels moet ik ze misschien geruststellen. Zeggen dat de workshop zo begint, maar dat we nog even moeten wachten op wat andere deelnemers. Maar ik weet zelf helemaal niet wat er gaat gebeuren. En mijn Engels heeft een raar accent en ik ben de enige witte. Zouden de jongeren net zo ongemakkelijk zijn als ik? Of is het normaal om zwijgend met een onbekende groep op onbekend terrein naast een township achter een hek te zitten met bewaking zonder dat je weet hoe lang dat nog gaat duren?

Na een eeuwigheid hoor ik het portier van een auto en komt Leila de hoek om lopen. Iedereen is er. We beginnen te lopen, van het terrein af. Leila voorop, druk pratend met de drie tieners die zojuist nog zo’n ongeinteresseerde indruk maakten. Dan een steeds groter wordend gat, dan twee groepjes die elkaar kennen, dan Nepthali en dan ik samen met Hellen.

‘Where is the other woman that was at my school?’ ontcijfer ik Hellen’s wegwaaiende zin.
‘Die doet niet mee met de workshop,’ zeg ik, ‘die moet een kamp voorbereiden. Did you like her?’
‘Yes.’ Ze lacht voorzichtig. Ik hoop dat ze niet teleurgesteld is. ‘I come from Red Hill,’ zegt ze, ‘have you been there?’
Ik versta haar Engels niet goed en ze praat heel zacht, dus ik moet drie keer vragen wat ze zegt.
‘Ik ben pas een paar dagen hier,’ antwoord ik ontkennend. Ik zeg niet dat ik wel naar het strand ben geweest en dat ik een wandeling heb gemaakt in een schitterend natuurgebied.
Ze begint aan een heel verhaal, dat ik niet kan verstaan en ik probeer op de juiste momenten te knikken en ‘ja’ te zeggen.

We komen aan bij een stukje wildernis langs de weg, met witte rotsen, stugge struiken en een hoop plastic. Hier is de workshopdocent! Ze laat ons de zeepachtige steen voelen die de basis is voor de klei die we straks gaan gebruiken. Dan moeten we rondkijken of we objecten vinden om structuur mee in onze klei te stempelen. Hellen schuilt steeds een halve stap achter mij. Als ik vraag of ze hier mensen kent, wijst ze naar haar klasgenoot, Tofik, die vol bravoure met een schep in een steen staat te hakken. De oudere meisjes maken foto’s van elkaar met de witte rotsen op de achtergrond.

IMG-20190310-WA0007 Dan stappen we in een busje naar Noordhoek om in de studio van Leila’s moeder daadwerkelijk aan de slag te gaan.
Langzaam verliezen de tieners zich in de klei. Ze maken wonderlijke dieren, monsterlijke hoofden en kommetjes. Alleen Tofik maakt niets. Hij rolt ballen die hij tegen elkaar kapot slaat. Hij vertelt aan Leila dat hij moe is, omdat hij de hele nacht heeft rondgelopen. Ik maak foto’s, zet thee, maak lunch en ruim de lunch weer op. Pas aan het einde pak ik ook een stuk klei. Meedoen is de sleutel tot contact.

‘Where do you come from?’ vraagt een van de meisjes waarvan ik opving dat ze na haar matric jaar scheikunde wil studeren.
‘From the Netherlands.’
‘Aaaaaa Amsterdam! What is it like, the Netherlands, Amsterdam?’
Ik graaf in mijn geheugen naar hoe ik Amsterdam het beste aan haar kan beschrijven. Ik kan alleen maar bedenken hoe moeilijk het is om woonruimte te vinden, dat ik niet weet of ik ooit een eigen huis zal kunnen bewonen, en dat ik ook niet weet waar ik anders heen moet. Dan geef ik het belachelijkste antwoord dat er bestaat: ‘Er zijn heel veel touristen.’
Volgens mij heeft ze me niet verstaan, want ze zegt: ‘I want to go there. I think the Netherlands is a fantastic country. There is much less violence there.’
Met rode wangen beaam ik dat.


<- Vorige: 1. Taal, lijf en leden
                                                       Volgende: 3. De ceremonie ter overhandiging van zestien miljoen ->

Terug: Kaapstad blog, overzicht

 

EmkeIdema2. Verloren in de klei